Contact
Home > Diagnose > Online vragenlijsten

Online vragenlijsten

Screening, indicatiestelling, systematisch meten en hermeten (Routine Outcome Monitoring): het zijn verschillende activiteiten binnen verschillende terreinen van de geestelijke gezondheidszorg. Maar vanuit het perspectief van de e-healthontwikkelaar komt het in de basis op hetzelfde neer. In alle gevallen wordt gebruikgemaakt van genormeerde psychologische vragenlijsten. Door die vragenlijsten op internet af te nemen is winst te behalen.

Screening

jongen met laptop voor boomPluis of niet pluis

Op internet verschijnen steeds vaker psychologische zelftests: gedigitaliseerde vragenlijsten waarmee mensen kunnen nagaan of professionele hulp noodzakelijk is voor hun psychologische problematiek. Deze tests zijn volledig geautomatiseerd. Er komt geen professional aan te pas. De computer berekent scores op basis van antwoorden op multiplechoicevragen, en komt aan de hand daarvan tot een advies over de ernst van de klachten. Het aantal mogelijke adviezen is daarbij vaak beperkt tot twee (pluis of niet pluis) of drie (groen, oranje of rood). Bij hoge scores wordt aangeraden om contact te zoeken met de huisarts.

De zelftests worden aangeboden via websites, maar ook steeds meer via apps op mobiele telefoons en tablets. De meeste tests richten zich op volwassenen, zoals die op de site van Psychologiemagazine. Maar het aantal tests voor kinderen en jeugd neemt toe. Voorbeelden zijn de website heeftmijnkindautisme.nl van het Dr. Leo Kannerhuis (een zelftest in het Nederlands, Marokkaans-Arabisch en Turks, voor ouders van kinderen van nul tot zes jaar), de ADHD-zelftest van Het behandelcentrum ADHD uit Rotterdam, en de zelftests ADHD en autisme op de site van Kenter Jeugdhulp. En dat is nog maar een fractie van het aanbod. De zoekopdracht ‘zelftest ADHD kinderen en jongeren’ levert op Google ruim 99.300 resultaten op.

Vraagtekens

De onderbouwing van de zelftests is vaak niet duidelijk. Het is niet altijd helder welke vragenlijsten worden ingezet. Daarmee zijn de psychometrische eigenschappen niet goed te achterhalen, hetgeen vraagtekens oplevert bij de waarde van het advies. Reden genoeg om de uitslagen van deze tests kritisch te bekijken, en in het achterhoofd te houden dat na een positieve uitslag op een zelftest de kans op een psychische stoornis nog steeds klein kan zijn.

Indicatiestelling

Zelftests op internet beperken zich vaak tot één specifieke psychische klacht. Maar wat in het klein kan, kan ook in het groot. Door meerdere vragenlijsten te combineren in een testbatterij, kunnen mensen worden gescreend op meerdere klachten. Sommige aanbieders gaan daarom een stap verder en ontwikkelen testbatterijen met zelftests voor anamnese en indicatiestelling, zoals Ampla, TelePsy, en softwarehuis VitalHealth. TelePsy werkt daarbij met complexe beslissingsbomen, waarin het programma inzoomt op de hoofdklachten door nieuwe vragenlijsten te selecteren op basis van eerder ingevulde lijsten. Deze programma’s zijn niet vrij toegankelijk. De organisaties bieden hun programma’s aan huisartsen aan, om de praktijkondersteuner huisarts-ggz (POH) te ondersteunen of te vervangen.

Een ander digitaal instrument waarmee psychopathologie bij kinderen en adolescenten in beeld kan worden gebracht is de DAWBA, een computersysteem waarmee, online, gegevens zijn te verzamelen bij jeugdigen, hun ouders en leerkrachten. De aldus verkregen informatie wordt vervolgens samengevat tot een voor klinische beoordelaars handzaam psychodiagnostisch profiel.

Digitale assessment

In jeugd-ggz-instellingen zelf worden deze programma’s nog weinig ingezet voor anamnese en diagnostiek, hoewel ze ook daar meerwaarde zouden kunnen hebben. Digitale assessment is efficiënt, want patiënten kunnen voor het eerste gesprek vanuit huis al veel informatie aanleveren over de aard, achtergrond en ernst van hun psychische klachten. Door de automatische scoring van de vragenlijsten kan de psycholoog zich ook direct wijden aan de interpretatie van de uitslagen. Daardoor kan in het eerste gesprek snel op de wezenlijke zaken worden ingezoomd. Een tweede voordeel is dat het psychodiagnostische trajecten standaardiseert, wat de objectiviteit van de diagnostiek ten goede zou kunnen komen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat patiënten gevoelige informatie eerder prijsgeven aan een computer.

Of deze voordelen in de praktijk ook daadwerkelijk worden verzilverd, is nog niet duidelijk. Onderzoek naar de validiteit en doelmatigheid van online diagnostische instrumenten is schaars. De site van Telepsy vemeldt monitorgegevens. Uit de resultaten van juli 2012 blijkt in vijftig procent van de gevallen sprake van een indicatie voor een tweedelijns traject. Volgens de organisatie bevestigt dit de bevinding van het Trimbos-instituut dat dertig procent van de patiënten in de tweedelijns ggz ook in de eerste lijn behandeld had kunnen worden. In samenwerking met de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Maastricht is systematisch onderzoek in voorbereiding.

Routine Outcome Monitoring

Wie voorafgaand aan de behandeling meet met een digitale test, kan dat natuurlijk ook tijdens en na de behandeling doen, om het beloop van de klachten in kaart te brengen. Routine Outcome Monitoring (ROM), herhaalde uitkomstmeting, is een derde toepassingsgebied voor digitale assessment-tools. Deze toepassing is de laatste jaren sterk gegroeid; in de jeugd-ggz was het in eerste instantie de sector zélf die streefde naar meer inzicht in de uitkomsten van behandeling. Daarna ontstond er druk vanuit de zorgverzekeraars.

Routine Outcome Monitoring dient minstens vier doelen. In de eerste plaats geeft het de behandelaar en de patiënt handvatten om het beloop van de behandeling te volgen en zo nodig bij stellen. In de tweede plaats geeft het de organisatie een middel om de kwaliteit van de zorg te monitoren. Ten derde dienen de gegevens de benchmarking, de vergelijking van de kwaliteit van het aanbod van organisaties onderling. Ten slotte bieden de geaggregeerde gegevens mogelijkheden voor nieuw praktijkonderzoek.

´Rommen´bij Accare: meten hoe het met je gaat.

Rommen moet

Bestuurlijk is men het eens dat ROM een meerwaarde biedt voor de ggz. Er zijn door de sector afspraken met verzekeraars gemaakt om in 2014 voor- en nametingen te leveren (‘te rommen’) bij vijftig procent van de behandeltrajecten. Instellingen die hieraan niet voldoen, krijgen te maken met financiële sancties, zoals minder budget of lagere vergoedingen voor geleverde zorg. Ook inhoudelijk zijn de kaders uitgewerkt, door Stichting Benchmark GGz (SBG) en Vereniging ROMCKAP (het Routine Outcome Monitoring Consortium Kinder- en Adolescenten Psychiatrie). De kaders zijn geschapen en concrete aanbevelingen zijn gedaan, ook specifiek voor de jeugd-ggz. Vrijwel alle organisaties zijn contracten aangegaan met een van de partijen die programma’s leveren waarmee ROM-vragenlijsten op het internet zijn in te vullen, zoals BergOp, NetQ Healthcare, QuestManager, Roqua, Reflectum en TelePsy. ROMCKAP heeft concrete plannen om gebruik te gaan maken van een datamanagementsysteem waarmee ROM-gegevens vanuit verschillende centra voor jeugd-ggz samen worden gebracht. Het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) ontving een subsidie van ZonMw om dit systeem, ProMISe, uit te breiden naar een infrastructuur voor praktijkonderzoek in de jeugd-ggz.

Toch worstelt de sector met ROM. De afgesproken responspercentages blijken niet voor alle organisaties haalbaar. De vragenlijsten worden ook nog vaak niet digitaal afgenomen, waardoor gegevens niet of te laat worden teruggekoppeld aan de behandelaar en de patiënt. Er mag geconstateerd worden dat de primaire doelstelling van ROM, de verbetering van de behandeling zelf door monitoring en feedback, grotendeels nog niet wordt gerealiseerd. Dat verklaart wellicht ook de moeizame invoering. Zonder direct ervaren nut is ROM voor behandelaren niet meer dan een extra administratieve last. Wanneer zowel de afname van de vragenlijsten als de interpretatie ervan wordt ondersteund door goed geautomatiseerde procedures, mag worden verwacht dat de responspercentages stijgen. Deze redenering wordt ondersteund door de resultaten van Interapy, een aanbieder van online hulpverlening. Online vragenlijsten zijn in deze organisatie vast onderdeel van de intake en het behandelprotocol, waarin behandelaars op vastgestelde tijden de ROM-resultaten bespreken met de patiënt. De responspercentages van Interapy, honderd procent voormeting en 79 procent nameting, liggen veel hoger dan de responspercentages uit de reguliere ggz.

Interpretatie van zelftests

Wij raden u aan uw huisarts te bezoeken (maar de kans is groot dat u geen psychische stoornis heeft)...

Klachten zijn klachten. Wie hoog scoort op een zelftest op internet, doet er goed aan om na te gaan waarom dat zo is. Maar een hoge score op een zelftest wil nog niet zeggen dat er ook sprake is van een psychische stoornis. Nog sterker: de kans is waarschijnlijk groter dat dat niet zo is.

Psychologische vragenlijsten zijn beperkt. Mensen met een psychische stoornis scoren soms verrassend laag, en mensen zonder stoornis scoren soms verrassend hoog. De waarde van een psychodiagnostische test kan daarom in twee percentages worden uitgedrukt. De sensitiviteit is het percentage terecht positieve uitslagen onder zieke personen. De specificiteit van een test is het percentage terecht negatieve testuitslagen onder niet-zieke personen. In de psychologie is men tevreden wanneer beide kansen ongeveer tachtig procent of groter zijn. Dat ‘ideaal’ wordt echter vaak niet gehaald.

Met z’n driemiljoenen naar het spreekuur

Naarmate een aandoening zeldzamer is, moet een positieve uitslag van een zelftest met meer reserve worden bekeken. Een voorbeeld laat dat zien. Naar schatting één procent van de Nederlandse bevolking heeft autisme, dat zijn ongeveer 165.000 mensen. Een zelftest autisme met tachtig procent sensitiviteit en tachtig procent specificiteit, door iedereen in Nederland ingevuld, geeft dan 3.397.200 maal aan dat een bezoek aan de huisarts mogelijk verstandig is (tachtig procent van 165.000 = 130.200 maal aan mensen met autisme, plus twintig procent van 16.335.000 = 3.267.000 maal aan mensen zonder autisme). Het wordt dan wel erg druk bij de huisarts, terwijl vervolgonderzoek slechts in minder dan vier procent (130.200 : 3.397.200) daadwerkelijk autisme zal kunnen vaststellen.

Het voorbeeld is bewust overdreven. Gezonde mensen vullen zelftests niet snel in. Maar het voorbeeld laat zien dat uitslagen van zelftests voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd, vooral als de psychometrische eigenschappen van de tests niet duidelijk zijn.