Contact

Review

Internationaal kennisoverzicht, april 2013

E-health in de kinder- en jeugdpsychiatrie: stand van zaken

Kim CM Bul Msc

Inleiding

E-health, de toepassing van informatie- en communicatietechnologie om de gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren (Raad voor de Volksgezondheid & Zorg, 2002), staat sterk in de belangstelling in de ggz. E-health zou positieve effecten hebben op de toegankelijkheid, transparantie, kwaliteit, en efficiëntie van de zorg. Het aantal studies naar e-healthtoepassingen is de laatste jaren dan ook sterk gestegen. Onderzoek onder volwassen laat zien dat online psychotherapie, met name cognitieve gedragstherapie (verder CGT), effectief kan zijn in de behandeling van angst- en stemmingstoornissen (Cuijpers et al., 2009; Andersson & Cuijpers, 2009).

Ook binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie wordt de inzet van technologische middelen overwogen. Of e-health in deze context van toegevoegde waarde is, is echter minder duidelijk. Eerdere overzichten beperkten zich tot het bespreken van e-healthprogrammaprogramma’s voor jongeren met milde tot matig ernstige problematiek (Riper, Smit, Van Der Zanden, Conijn, Kramer, & Mutsaers, 2007; Nikken, 2007; Van Rooijen, 2011). Daarmee rijst de vraag wat e-health kan betekenen voor de populatie die in de kinder- en jeugdpsychiatrie wordt gezien.

Dit artikel geeft een overzicht van internationaal wetenschappelijk onderzoek naar e-healthtoepassingen die ontwikkeld zijn voor of binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie. We bespreken vier verschillende soorten toepassingen - internettherapie, telepsychiatrie, serious games en mHealth - voor vijf verschillende klachtgebieden - ADHD, autismespectrum stoornissen (ASS), angst- en stemmingsstoornissen en eetstoornissen.

Internettherapie

Internettherapie, waarbij patiënt en hulpverlener zich op aparte locaties bevinden en met elkaar communiceren via internet (Manhal-Baugus, 2001), is voortgekomen uit vroege experimenten met de toepassing van gecomputeriseerde behandelprogramma’s op cd-rom, die met name eind jaren negentig ter ondersteuning van een bestaande behandeling of als zelfhulp werden aangeboden. Door de voortschrijdende techniek worden deze toepassingen steeds vaker vertaald naar een internettoepassing. Gezien deze ontwikkeling bespreken we in deze sectie ook cd-rom toepassingen.

ADHD

Studies naar internettherapieën voor de behandeling van ADHD werden door ons niet gevonden. Het beschikbare onderzoek beperkt zich vooralsnog tot gecomputeriseerde training en ondersteuning via cd-rom. Rabiner, Murray, Skinner en Malone (2010) beschrijven een randomized controlled trial – verder RCT – (n=77) naar de effectiviteit van twee gecomputeriseerde interventies voor kinderen en jongeren met ADHD. Leerkrachten rapporteerden een vermindering van aandachtsproblemen in vergelijking met kinderen die waren toegewezen aan een wachtlijstconditie. Met name kinderen met veel symptomen bleken te profiteren van gecomputeriseerde interventie. Uit de RCT (n=36) van Shalev, Tsal en Mevorach (2007) bleek gecomputeriseerde training bij te dragen aan een vermindering van aandachtsproblemen en een verbetering van begrijpend lezen zoals gerapporteerd door ouders. Onbekend is of deze effecten op langere termijn nog zichtbaar waren. In de literatuur zijn diverse gevalsbeschrijvingen beschikbaar waarbij positieve resultaten van gecomputeriseerde programma’s voor kinderen met ADHD worden aangetoond (Kotwal, Burns, & Montgomery, 1996; Slate, Meyer, Burns, & Montgomery, 1998).

Angst- en stemmingsstoornissen

In de literatuur zijn twee systematische reviews beschikbaar van onderzoek naar de effectiviteit van online en gecomputeriseerde behandelprogramma’s voor angst en depressie bij kinderen en jongeren. Richardson, Stallard en Velleman (2010) includeerden tien studies en Calear en Christensen (2010) includeerden er acht. Onderstaande programma’s bleken daarin positief onderscheidend.

Stressbusters

De behandeling bestaat uit een interactief computerprogramma voor jongeren met depressie. Video’s, animaties, afbeeldingen en print-outs zijn geïntegreerd waarbij acht sessies elkaar in lineaire volgorde opvolgen. Elke sessie bouwt voort op de kennis die in de vorige sessies is bijgebracht inclusief de huiswerkopdrachten. Factsheets over bijvoorbeeld depressieve gedachten kunnen flexibel worden toegevoegd aan het programma. Een studie (n=23) rapporteert de resultaten van voor en na het volgen van de behandeling. Achtenzeventig procent bleek na de behandeling niet meer aan de criteria voor de diagnose van depressie te voldoen (Abeles et al., 2009).

Grip op je dip

Grip op je Dip (oorspronkelijk: Master your mood online) is een groepsgebaseerde cognitieve gedragstherapie die aangeboden wordt via een online chatroom en begeleid wordt door een therapeut. De relatie tussen denken, voelen en doen wordt bediscussieerd en negatieve gedachten worden geïdentificeerd. Het programma omvat zes sessies van ieder anderhalf uur. Tussen de sessies door wordt van jongeren (zestien tot 25 jaar) verwacht dat zij huiswerk maken, teksten lezen en oefeningen uitvoeren ter voorbereiding op de volgende sessie. Uit de resultaten van een gerandomiseerde studie (n=244) blijkt dat depressieve symptomen en angstklachten na drie maanden verminderd waren in vergelijking met de controlegroep (Van der Zanden, Kramer, Gerrits, & Cuijpers, 2012).

Catch-it

Catch-it is een op internet gebaseerde behandeling die gebaseerd is op CGT principes, inter-persoonlijke psychotherapie en gedragsactivering. Het doel van het programma is om jongeren te leren hoe zij gedrag dat hen kwetsbaar maakt voor depressie kunnen verminderen en beschermend gedrag te doen laten toenemen. Er zijn veertien modules beschikbaar waarbij uitleg over kernconcepten, verhalen van jongeren, oefeningen om vaardigheden aan te leren, feedback en internetgebaseerde beloningen centraal staan. Van tevoren neemt de therapeut een kort interview af en is er telefonisch contact om veiligheid en motivatie tijdens de therapie te borgen. Een RCT (n=83) was beschikbaar en liet positieve resultaten zien wat betreft depressieve klachten bij jongeren (Van Voorhees et al., 2008; Van Voorhees et al., 2009).

MoodGYM

Het programma MoodGYM probeert negatieve gedachten om te buigen, zelfwaardering te verhogen en relaties met anderen te verbeteren bij jongeren met depressieve klachten. Ook worden probleemoplossingsvaardigheden en ontspanningstechnieken geoefend. Het programma bestaat uit vijf interactieve modules die informatie, quizzen, animaties en huiswerkopdrachten omvatten. Er is een RCT (n=1477) beschikbaar waarbij depressieve en stemmingsklachten van jongeren verminderden in vergelijking met de wachtlijstconditie (Calear, Christensen, Mackinnon, Griffiths, & O’Kearney, 2009).

Cool Teens

De behandeling Cool Teens omvat acht modules van elk dertig minuten. Het programma is gericht op alle angststoornissen waarbij de nadruk ligt op exposure technieken en cognitieve herstructurering. Diverse multimedia toepassingen worden gecombineerd om voorbeelden, huiswerkopdrachten, informatie en activiteiten op een betrokken manier aan te bieden. Er zijn video’s beschikbaar waarin men verschillende angstproblemen en copingvaardigheden van jongeren laat zien. Een klinisch psycholoog contacteert jongeren telefonisch één keer per twee weken voor vijf tot twintig minuten. Wanneer jongeren dat toelaten, kunnen ouders hen ook ondersteunen omdat zij via de therapeut op de hoogte worden gebracht. Een RCT (n=43) toont aan dat er een afname was in het aantal en de ernst van angstklachten bij jongeren die de behandeling hadden gevolgd. De controlegroep bestond uit een wachtlijstconditie (Wuthrich et al., 2012; Cunningham et al., 2009).

Brave

Brave for Children-ONLINE en Brave for Teenagers-ONLINE zijn angst behandelprogramma’s gericht op de behandeling van sociale fobie, gegeneraliseerde angststoornis, separatie angst en specifieke fobieën bij kinderen (acht tot twaalf jaar) en jongeren (dertien tot zeventien jaar). De programma’s zijn gebaseerd op de cognitieve gedragstherapie en bestaan uit tien wekelijkse sessies voor kinderen en jongeren. Dit wordt aangevuld met twee boostersessies na één en drie maanden en met vijf of zes oudersessies. Het programma omvat informatie over het managen van angst, het herkennen van fysiologische kenmerken van angst, graduele blootstelling en probleemoplossing technieken. Kinderen en jongeren gaan aan de slag met leesmateriaal, vraag- en antwoordoefeningen, spellen en quizzen. Gebruikers van het programma doorlopen dit in hun eigen tijd, waarbij er wekelijks e-mailcontact met de therapeut is om huiswerkopdrachten en sessieopdrachten te bespreken. De therapeut assisteert ook in de ontwikkeling van een blootstellingshiërarchie via telefoon of e-mail. Er zijn twee gecontroleerde en gerandomiseerde studies (n=72 en n=73) beschikbaar die beide vermindering in angstklachten demonstreerden in vergelijking met jongeren uit de wachtlijstconditie (Spence, Holmes, March, & Lipp, 2006; March, Spence, & Donovan, 2009).

Camp Cope-a-Lot

Camp Cope-a-Lot is een computergeassisteerd programma voor kinderen van zeven tot en met twaalf jaar die sociale fobie en/of (gegeneraliseerde) angstklachten ondervinden. De behandeling is gebaseerd op het Coping Cat behandelprotocol, dat in vergelijking met jongeren die geen behandeling ontvangen, effectief blijkt voor de behandeling van angstklachten. Animatie, audio, 2D-animaties, foto’s, video’s, schema’s, een beloningsysteem en geschreven tekst zijn toegevoegd aan het programma. Een kleurrijk karakter leidt de jongeren door het programma heen. Doordat het programma via de computer beschikbaar is, is volgens de auteurs minimale tussenkomst van een behandelaar nodig. Zes sessies worden individueel doorlopen en zes sessies worden doorlopen met behulp van een behandelaar. De coach evalueert de klachten, vergemakkelijkt de exposure opdrachten en biedt bekrachtiging en steun wanneer dat nodig is. Voor de behandelaar is een handleiding beschikbaar waarin de achtergrond en rationale van modules wordt toegelicht. Hierdoor is het volgens de auteurs ook mogelijk om minder ervaren behandelaren het programma te laten aanbieden. Een gerandomiseerde en gecontroleerde studie (n=49) liet positieve resultaten zien wat betreft angstklachten (Khanna & Kendall, 2010; Kendall, Khanna, Edson, Cummings, & Harris, 2011; Khanna & Kendall, 2008).

Think, Do, Feel

Think, Do, Feel is een programma, dat bestaat uit zes sessies van dertig tot 45 minuten, is gericht op emotieregulatie, het ombuigen van negatieve gedachten en het aanleren van probleemsoplossingsvaardigheden. Een behandelaar biedt ondersteuning aan de patiënt. Multimedia, quizzen, videoclips en cartoons zijn geïntegreerd. De rol van de behandelaar is om de programmainhoud te verduidelijken en om steun te bieden. Aan het einde van elke sessie krijgen jongeren een opdracht die zij moeten voltooien. De behandelaar helpt jongeren om te reflecteren en de lessen toe te passen in hun eigen situatie. Een gerandomiseerde en gecontroleerde pilotstudie (n=20) demonstreert dat kinderen die de behandeling gevolgd hadden vooruitgang lieten zien wat betreft depressieve en angstklachten, cognitie en zelfwaardering (Stallard, Richardson, Velleman, & Attwood, 2011).

Positieve resultaten werden verder behaald met een geprotocolleerde internetbehandeling voor jeugdige slachtoffers van seksueel geweld (veertien tot 23 jaar; De Haas et al., 2009; Lange & Ruwaard, 2010). Dit programma, waarvan de behandelduur varieert tussen de negen tot zestien weken, is opgebouwd uit drie elementen: exposure, cognitieve herstructurering en social sharing. Patiënten bleken, in vergelijking met een placebo aandachtsperiode, na behandeling meer verbeterd in herbeleving, vermijding, en niet-specifieke traumaklachten. Ook angstige en depressieve gevoelens bleken sterker afgenomen na behandeling.

WRITEjunior

Over het behandelen getraumatiseerde kinderen onder de veertien jaar is nog maar weinig bekend. WRITEjunior is een computergeassisteerde schrijf-therapie die ontwikkeld is voor kinderen en jongeren van vier tot achttien jaar met posttraumatische stresssymptomen (Lucassen & Van der Oord, 2009). Ook hier worden exposure, cognitieve herstructurering en social sharing ingezet. Het is een kortdurende behandeling die gemiddeld uit drie tot tien sessies bestaat. Een ongecontroleerde behandelstudie naar de effectiviteit van WRITEjunior laat positieve resultaten zien (Van der Oord, Lucassen, Van Emmerik, & Emmelkamp, 2008; Van der Oord, Lucassen, Van Emmerik, & Emmelkamp, 2009).

Autismespectrumstoornissen

De systematische review van Ramdoss en collega’s (2012) omvat elf studies die diverse gecomputeriseerde en online behandelingen voor kinderen en jongeren met ASS onderzoeken. Samenvattend laten studies naar het trainen van sociale vaardigheden positieve resultaten zien. Studies naar het stimuleren van het gebruik van gezichtsexpressie tijdens sociale interacties laten gemengde resultaten zien. Tenslotte laten studies naar emotieherkenning gemengde maar overwegend positieve resultaten zien. Onderstaande behandelingen worden in deze review als effectief bestempeld.

Junior Detective Training Program

Het Junior Detective Training Program wordt op cd-rom aangeboden en is een applicatie die erop gericht is om emotioneel en sociaal bewustzijn te verhogen. Het kind krijgt diverse scenario’s gepresenteerd, waarbij het wordt gevraagd om aan te geven hoe de personages zich voelen en om deze personages te relateren aan hun eigen ervaringen. Het programma bestaat uit drie niveaus waarbij kinderen ook huiswerkopdrachten meekrijgen. De training omvat vier sessies die variëren van 45 tot zestig minuten. Er is een studie (n=26) die positief resultaat laat zien (Beaumont & Sofronoff, 2008).

MindReading

MindReading: The interactive guide to emotions. Dit softwareprogramma is ontwikkeld om jongeren te leren om emoties in anderen te herkennen. Het progamma illustreert vierhonderd verschillende emoties die te zien en te horen zijn bij zes verschillende personages. Er zijn drie hoofdsecties: de emotiebibliotheek, het leercentrum en de spelomgeving. In de bibliotheek kan de gebruiker definities en verhalen bij emoties zoeken. Een variëteit aan lessen en quizzen worden aangeboden om emoties op een systematische manier te presenteren en de herkenning ervan te toetsen. Ten slotte kan er ook een game gespeeld worden waarbij emoties moeten worden herkend (Lacava, Golan, Baron-Cohen, & Myles, 2007).

Uit een RCT van Bernard-Optiz, Sriram en Nakhoda-Sapuan (2001) bleek dat probleemoplossende vaardigheden in sociale conflictsituaties bij kinderen met autisme verbeterden door een gecomputeriseerd programma. Dit programma was door de onderzoekers zelf ontwikkeld. Daarnaast demonstreerden Simpson, Langone en Ayres (2004) dat naar aanleiding van de behandeling het verbaal groeten van leeftijdgenoten toenam. Voor de overige behandelingen (zoals Let’s Face It) die binnen de review worden besproken geldt dat de mate van bewijsvoering onvoldoende is.

TeachTown

Naast deze uitgebreide review hebben Whalen, Liden, Ingersoll, Dallaire en Liden (2006) twee kleinschalige studies (n=8 en n=4) uitgevoerd naar TeachTown, een programma dat zich richt op jonge kinderen met ontwikkelingsproblemen. Het programma schoolt kinderen bij op het gebied van receptieve taal, sociaal begrip, zelfhulp, aandacht, geheugen, auditief verwerken en vroege academische vaardigheden. Het kind krijgt diverse lessen via de computer aangeboden en wordt daarbij gemotiveerd door attractief vormgegeven beloningen. Instructies en feedback passen zich naar de prestatie van het kind aan. Het programma omvat ook specifieke generalisatiesessies. In de door de auteurs genoemde onderzoeken verbeterden de kinderen met autisme wat betreft receptieve taal en sociale en cognitieve vaardigheden. Ook lieten zij tijdens vrije spelsessies minder ongepast gedrag zien.

The Transporters

De studie van Golan en collega’s (2009) evalueerde het programma The Transporters waarbij twintig kinderen in de leeftijd van vier tot zeven jaar het programma dagelijks voor een periode van vier weken bekeken. Kinderen werden voor en na het aanbieden van de behandeling getest op het gebruik van emotioneel vocabulaire en emotieherkenning op drie generalisatie niveaus. De uitkomsten werden vergeleken met twee groepen kinderen (met en zonder autisme) die geen behandeling kregen aangeboden. De behandelgroep liet significante verbeteringen zien wat betreft hun emotionele begrip en herkenningsvaardigheden bij vijftien emoties.

Eetstoornissen

Brand en McKay (2012) geven een beschrijvend overzicht van studies naar de effectiviteit van internettherapie voor jongeren met eetstoornissen. Hierbij worden onderstaande studies met positieve resultaten besproken.

Heinicke, Paxton, McLean en Wertheim (2007) toetsten de effectiviteit van een online behandeling voor jongeren met een negatief zelfbeeld en een verstoord eetpatroon. De behandeling omvat wekelijkse contactmomenten van negentig minuten gedurende een periode van zes weken. Patiënten ontvangen psycho-educatie en zelfstandig uit te voeren opdrachten. De behandeling wordt verder ondersteund door een online discussieforum, waarin ook de behandelaar participeert. De RCT (n=83) toont aan dat het programma zorgt voor verbeteringen op het gebied van zelfbeeld en eetpatroon, die na twee en zes maanden ook nog zichtbaar zijn. De controlegroep bestond uit een wachtlijstconditie.

Pretorius en collega’s (2009) onderzochten in een RCT (n=101) de effectiviteit van internettherapie voor jongeren met bulimia nervosa. De behandeling omvat acht interactieve sessies van ieder dertig tot veertig minuten waarin de patiënten psycho-educatie kregen en CGT technieken leerden toepassen. Het materiaal werd ondersteund met een cd-rom. Participanten hadden daarnaast toegang tot een online forum voor communicatie, steun van leeftijdsgenoten en wekelijkse e-mail ondersteuning van een getrainde therapeut.. Jongeren hadden na het afronden van de therapie minder last van eetbuien en compenserende episodes. De behandelresultaten bleven na drie en ook na zes maanden stabiel.

Fernandez-Aranda en collega’s (2009) vergeleken de effectiviteit van een online CGT met een wachtlijst controle conditie (n=62). Het programma bestaat uit een online zelfhulpprogramma met psycho-educatie en cognitief gedragstherapeutische oefeningen. Gedurende vier maanden was er wekelijks contact met een persoonlijke coach, die met de clienten de progressie besprak. Jongeren die de internettherapie hadden gevolgd, hadden minder symptomen van bulimia nervosa inclusief eetbuien en compenserende episodes, in vergelijking met de jongeren in de wachtlijstconditie.

Twee RCTs naar internettherapie voor jongeren met eetstoornissen werden door Brand en McKay (2012) niet opgenomen in hun review. Doyle en collega’s (2008) bekeken in een RCT (n=80) het effect van internetbehandeling voor jongeren met overgewicht. De bevindingen suggereren dat de behandeling leidt tot gewichtsafname, maar niet tot een verbetering wat betreft de attitudes en gedragingen die gerelateerd zijn aan de eetstoornis. Bij follow-up metingen na vier maanden bleek er bovendien geen sprake meer van gewichtsafname, hoewel de jongeren wel een verbetering op het gebied van gezondheid en lichamelijke activiteit rapporteerden. Jones en collega’s (2008) onderzochten de effectiviteit van een internettherapie gericht op gewichtsbehoud en het verminderen van eetbuien bij jongeren. De behandeling combineert psycho-educatie met gedragstherapie en traint emo-tieregulatievaardigheden. Deze behandeling bleek matig effectief in het verliezen van gewicht en het verminderen van eetbuien.

Ten slotte verdient een Nederlands niet-gerandomiseerd pilotonderzoek naar de website www.etendebaas.nl (Huurne, n.d.) vermelding. De resultaten van deze pilot waren positief. De deelnemers rapporteerden een minder verstoord eetgedrag en minder lichaamsontevredenheid. Daarnaast had de behandeling een positief effect op de algemene psychische toestand van de jongeren.

Telepsychiatrie

Telepsychiatrie is het gebruik van videoconferentie technologieën voor het op afstand verlenen van diensten in de geestelijke gezondheidszorg en de psychiatrische hulpverlening (Gastmans & Van Wynsberghe, 2011). Onderstaande sectie gaat in op studies naar de effectiviteit en haalbaarheid van telepsychiatrie. De opbouw van deze sectie verschilt van de andere secties omdat onderzoek naar telepsychiatrie zich met name centreert rondom het soort onderzoek dat naar telepsychiatrie is uitgevoerd in plaats de doelgroep waarbij dit is uitgevoerd.

Effectiviteit - Diagnostiek en behandeling

Een meta-analyse van Hyler, Gangure en Batchelder (2005) biedt een overzicht van studies waarin de werkzaamheid van face-to-face diagnostiek met diagnostiek via telepsychiatrie wordt vergeleken. De auteurs includeerden veertien studies. De doelgroepen van deze studies varieerden zowel in diagnose, instrumentgebruik als leeftijd. De effectgrootten waren gemiddeld klein tot zeer klein, wat suggereert dat er geen verschil is in de werkzaamheid van face-to-face diagnostiek en diagnostiek via telepsychiatrie. Tevens bleek er geen verschil te zijn in nauwkeurigheid en tevredenheid tussen de twee methoden. Deze resultaten komen ook overeen met de systematische review van Chipps, Brysiewicz en Mars (2012), waarin wordt bevestigd dat telepsychiatrie een betrouwbaar middel is om metingen uit te voeren in situaties waarin face-to-face diagnostiek lastig is.

Op het gebied van behandeling beschrijven Palmer en collega’s (2010) in hun review een aantal studies naar de toepassing van telepsychiatrie in de behandeling van kinderen en jongeren met ADHD. Een beschrijvende studie van Myers, Sulzbacher en Melzer (2004) concludeerde dat jongeren met ADHD die werden doorverwezen naar telepsychiatrie vergelijkbaar waren met jongeren met ADHD die werden doorverwezen naar face-to-face behandeling. Daarnaast bleek uit een andere studie dat telepsychiatrie het meest werd ingezet bij kinderen en jongeren met ADHD. Tevens werd aangegeven dat kinderen en jongeren die via telepsychiatrie werden behandeld voor hun overgewicht relatief vaak ADHD kenmerken vertoonden. Ten slotte bespreken Palmer en collega’s (2010) drie gerandomiseerde en gecontroleerde studies naar de effectiviteit van telepsychiatrie voor jongeren met ADHD. De resultaten daarvan moeten nog gepubliceerd worden.

Nelson, Barnard, & Cain (2003) toonden met een RCT (n=28) aan dat depressieve symptomen verminderden door de toepassing van CGT via telepsychiatrie. De uitkomsten waren vergelijkbaar tussen kinderen die CGT face-to-face kregen aangeboden en kinderen die CGT via telepsychiatrie ontvingen. Yellowlees, Hilty, Marks, Neufeld en Bourgeois (2008) rapporteerden verbeteringen wat betreft emotioneel en oppositioneel gedrag bij een groep van 41 kinderen en jongeren met diverse psychiatrische problemen wanneer behandeling via telepsychiatrie werd aangeboden. Ten slotte laat een gecontroleerde gerandomiseerde studie (n=19) van Storch en collega’s (2011) zien dat CGT, aangeboden via een webcam applicatie, kan resulteren in verminderde obsessieve-compulsieve symptomen bij kinderen en jongeren.

De toepassing en werkzaamheid van telepsychiatrie wordt in de literatuur voornamelijk geconcretiseerd aan de hand van gevalsbeschrijvingen. . Pakyurek, Yellowlees en Hilty (2010) bespreken vijf case studies van kinderen met ADHD, PDD-NOS, depressie, seksueel trauma en verslaving. Palmer en collega’s (2010) beschrijven drie klinische vignetten en Pesämaa en collega’s (2004) beschrijven zeven case studies. De overeenkomsten tussen de resultaten van de case studies betreffen met name het gemiddelde aantal sessies dat werd aangeboden (twee tot zestien), de mate van tevredenheid van kinderen en ouders en de vermindering van symptomen. In de meeste case studies worden zowel subjectieve (tevredenheid) als objectieve maten (gewichtsstatus, medische status) van effectiviteit besproken. Deze studies illustreren de potentiële toepassing van telepsychiatrie voor de diagnose, behandeling en monitoring van klinische symptomen.

Kosteneffectiviteit

Volgens Glueck (2011) kan telepsychiatrie bij een voldoende groot patiëntenvolume tot kostenbesparingen leiden, voornamelijk vanwege een afname in reiskosten (Trott & Blignault, 1998; Glueck, 2011). Maar ook verminderde kosten door afname van kinderopvang en verminderde afwezigheid op het werk moeten daarbij opgeteld worden. Telepsychiatrie kan bovendien kosten reduceren door deze toepassing ook voor andere klinische, administratieve en educatieve doeleinden te gebruiken (Chipps, Brysiewicz, & Mars, 2012).

In een studie van Glueck (2011) wordt het aantal no-shows teruggebracht van 21 naar dertien procent middels het gebruik van telepsychiatrie. Gelet op het feit dat de kosten van no-shows hoog zijn, is dit in de context van de kinder- en jeugdpsychiatrie erg relevant.

Veel studies nemen de kosten voor het onderhoud en up-to-date houden van de systemen niet mee. Belangrijk is ook om verborgen kosten mee te nemen, zoals het trainen van personeel, het toewijzen van ruimtes voor benodigdheden, en de kosten van verbindingen (Hyler & Gangure, 2003). Met financiële modellen kan berekend worden hoeveel patiënten dagelijks gezien moeten worden om de vaste personele en technische kosten terug te verdienen (Glueck, 2011; Hyler & Gangure, 2003). Lastig is dat de kosteneffectiviteit van veel factoren afhankelijk is en dat die een grote mate van variabiliteit kennen (Hyler & Ganguare, 2003).

Haalbaarheid, tevredenheid en gebruiksvriendelijkheid

Hoewel de literatuur over het algemeen een positieve houding beschrijft ten opzichte van het gebruik van telepsychiatrie, is het bij studies lastig te bepalen of de overeenkomst in mate van tevredenheid tussen telepsychiatrie en face-to-face toepassingen komt door het behandelprogramma dat wordt aangeboden of door de specifieke technologie (Chipps, Brysiewicz, & Mars, 2012).

Myers, Valentine en Melzer (2008) geven in hun artikel aan dat ouders van kinderen met een breed spectrum van psychiatrische stoornissen tevreden zijn met de toepassing van telepsychiatrie. Bij vervolgafspraken bleken ouders zelfs meer tevreden te zijn. Enerzijds kan dit suggereren dat ouders steeds meer gewend raakten aan de methode of anderzijds dat er daadwerkelijk verbetering te zien was in de symptomen van de kinderen. Ouders van kinderen bleken ook minder tevreden dan ouders van schoolkinderen. Wellicht dat ouders van kinderen dachten meer hulp nodig te hebben dan er middels telepsychiatrie werd aangeboden. Positief is wel dat ouders aangeven dat zij telepsychiatrie ook aan andere ouders zouden aanbevelen (Pesämaa et al., 2004).

De mate van tevredenheid van behandelaars wordt onder andere bepaald door de kwaliteit van de videoverbinding (Chipps, Brysiewicz, & Mars, 2012). Hoe hoger de bandbreedte, hoe beter de kwaliteit van beeld en geluid en hoe beter de behandelaar de expressies en gedragingen van de patiënten kan waarnemen. Behandelaars geven aan zich competenter en meer op hun gemak te voelen via telepsychiatrie dan in telefonische consulten. Uit een aantal interviews met behandelaars bleek een minder persoonlijke band met de patiënt als grootste barrière te worden beschouwd (Wagnild, Leenknecht, & Zauher, 2006). Sommige psychiaters hebben hun twijfels over de vertrouwelijkheid en privacy van de gegevens binnen het telepsychiatrie netwerk. Daarnaast is een groot nadeel dat lichamelijke metingen niet uit te voeren zijn. Een van de aanbevelingen is dat er technici aanwezig moeten zijn zodat problemen tijdens consultaties direct opgelost kunnen worden.

Projectbeschrijvingen

Verschillende grootschalige projecten omtrent telepsychiatrie zijn in de literatuur beschreven. Een van de grootste en meest beschreven programma’s is een integraal onderdeel van de mentale gezondheidszorg gericht op landelijke, verafgelegen gebieden in Zuid-Australië (Frueh et al., 2000). Al sinds 1994 wordt in dit programma telecommunicatie ingezet. In de eerste vier jaar zijn er binnen dit programma meer dan tweehonderd klinische consultaties uitgevoerd.

In het artikel van Spaulding, Cain en Sonnenschein (2011) worden diverse projecten van telepsychiatrie in stedelijke gebieden omschreven. Zo is er in het medisch centrum van Rochester een programma ontwikkeld voor ambulante kindergeneeskunde. Consultaties tussen het kind, een assistent verbonden aan school of zorg en een specialist vonden plaats via videoverbinding. Door dit project daalde het schoolverzuim en hoefden ouders minder vrij te nemen voor bezoeken aan de polikliniek.

Het Universitaire Centrum voor Telepsychiatrie en Telegeneeskunde in Kansas heeft sinds 1991 diverse programma’s ontwikkeld en geïmplementeerd. Een bijzonder initiatief werd daar gestart op een kinderdagopvang waar met name kinderen met een lage sociaaleconomische achtergrond werden opgevangen. Doordat er videoconferencing apparatuur beschikbaar was, kon deze groep gemakkelijk in contact komen met diverse kinder- en jeugdpsychiaters.

Serious Games

Een ‘game’ wordt gedefinieerd als een computerspel waarbij sprake is van het gebruik van meerdere sensorische modaliteiten (kleur, geluid, beweging), waarbij directe feedback wordt gegeven over de kwaliteit en accuraatheid van de prestatie (door geluid, scoring, graphics), gebruik wordt gemaakt van animatie, een verhaallijn en een interactieve omgeving, waarbij er meestal identificatie is met een hoofdpersoon, en de speler door verschillende spelniveaus wordt gevoerd (Van der Oord, 2012). Serious games zijn games die gebruikt worden om iemand op een leuke manier bepaalde vaardigheden aan te leren of kennis bij te brengen (Kranenburg, Slot, Staal, Leurdijk, & Burgmeijer, 2006). Hieronder wordt onderzoek naar dergelijke games besproken en verder toegelicht.

ADHD

In een recente meta-analyse stellen Melby-Lervag en Hulme (2012) dat werkgeheugentraining effectief is om het werkgeheugen op korte termijn te verbeteren, hoewel zij daar aan toevoegen dat er onvoldoende bewijs bestaat om te stellen dat deze effecten op lange termijn beklijven. Daarnaast wijzen zij er op dat nog niet duidelijk of verbeteringen in de werkgeheugentraining taken ook generaliseren naar andere vaardigheden (zoals non-verbale en verbale vaardigheden, inhibitieprocessen tijdens aandachttaken, decoderen van woorden en rekenen).

Cogmed

Met het programma Cogmed wordt getracht het werkgeheugen te trainen waardoor aandacht en concentratie verbeteren en hyperactiviteit en impulsiviteit verminderen (Klingberg, Forssberg, & Westerberg, 2002; Klingberg, 2010). De oefeningen worden visueel-ruimtelijk, fonologisch en gecombineerd aangeboden, en kunnen bij ADHD en bij andere (leer)stoornissen worden ingezet. Er wordt gedurende vijf weken vijf keer per week getraind. De training duurt ongeveer 45 minuten per dag. In verschillende gecontroleerde en gerandomiseerde studies is de effectiviteit van Cogmed aangetoond (Beck, Hanson, Puffenberger, Benninger, & Benninger, 2010; Klingberg et al., 2005). De aanname dat training van het werkgeheugen deze ook daadwerkelijk op neuronaal gebied verbetert, en dat dit ook positieve effecten heeft op andere executieve functies, is tot op heden niet overtuigend aangetoond.

Braingame Brian

Braingame Brian dit is een executieve functietraining met 3D-game elementen waarbij, naast het werkgeheugen, ook het remmen van gedrag en de cognitieve flexibiliteit worden getraind. De training bestaat uit 25 sessies van ongeveer 35 tot veertig minuten. Een gerandomiseerde en gecontroleerde pilotstudie met wachtlijstconditie laat veelbelovende resultaten zien (Van der Oord, Ponsioen, Geurts, Ten Brink, & Prins, 2012). De aanname wordt bevestigd dat wanneer kinderen gemotiveerd zijn om een taak te maken zij hierop ook beter presteren. Het toevoegen van game-elementen aan een standaard taak blijkt hierbij bijzonder bruikbaar en zinvol (Dovis, Van der Oord, Wiers, & Prins, 2011; Prins, Dovis, Ponsioen, Ten Brink, & Van der Oord, 2011). Echter, tot op heden blijken er nog niet op alle niveaus generalisatie-effecten plaats te vinden (Van der Oord et al., 2012).

Een recent voorbeeld van een therapeutische game voor kinderen met ADHD is HealSeeker. HealSeeker is niet gebaseerd op bestaande trainingsprogramma’s maar biedt een innovatieve digitale spelomgeving gericht op het trainen van vaardigheden (zoals tijdmanagement, plannen en organiseren en prosociaal gedrag) bij kinderen met ADHD. De gerandomiseerde pilotstudie laat positieve resultaten zien omtrent gebruiksvriendelijkheid. Tevens zijn de resultaten als eerste aanwijzing te interpreteren op een mogelijk leereffect wat betreft tijdmanagement en plannen. Er werden geen voorlopige effecten gemeten op het gebied van sociaal gedrag. Begin 2013 is binnen Nederland en België gestart met het uitvoeren van een gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek naar de effecten van HealSeeker (Bul & Maras, 2012).

Pope en Palsson (2001) ontwikkelden een adaptieve training met een game format voor kinderen met ADHD. Uit deze gecontroleerde en gerandomiseerde studie bleek dat deze training even effectief was in het verminderen van aandachtstekort en hyperactiviteit als de biofeedbacktraining zonder game-format. Echter, kinderen rapporteerden dat de training met game-format veel aantrekkelijker was. Op basis van deze studie bestaat er enig bewijs dat games, in combinatie met biofeedback, kunnen bijdragen aan het verminderen van de kernsymptomen van ADHD en het verbeteren van schoolse vaardigheden die daarmee samenhangen.

Angst- en stemmingsstoornissen

Fleming, Dixon, Frampton en Merry (2011) ontwikkelden SPARX (Smart, Positive, Active, Realistic and X-factor thoughts), een serious game voor adolescenten van twaalf tot en met negentien jaar met depressieve klachten. Het is een zelfhulp-computerprogramma op cd-rom dat grotendeels gebaseerd is op CGT. Middels een interactief driedimensionaal fantasiespel wordt getracht om adolescenten vaardigheden en inzichten bij te brengen zodat zij om leren gaan met depressieve gedachten en gevoelens. Het programma bestaat uit zeven modules (à dertig minuten) die in ongeveer vijf weken zijn te doorlopen. Naar SPARX zijn diverse pilotstudies en gerandomiseerde en gecontroleerde studies verricht (Fleming, Dixon, Frampton & Merry, 2011; Merry et al., 2012). De resultaten van dit onderzoek illustreren dat SPARX beter werkt dan een placebospel en een wachtlijstconditie, en dat met het spel even goede resultaten kunnen worden geboekt als met standaardbehandelingen (TAU, treatment as usual). In dit laatste onderzoek bestond de TAU niet uit de gouden standaard, zoals interpersoonlijke therapie of cognitieve gedragstherapie, maar uit een onbekend aantal individuele therapeutische sessies met onduidelijke inhoud. Het onderzoek naar SPARX is geïnitieerd vanuit Nieuw-Zeeland, maar wordt op dit moment ook opgepakt binnen Europa, waaronder België en Nederland.

Autismespectrumstoornissen

Noor, Shahbodin en Pee (2012) beschrijven in een literatuuroverzicht diverse serious games voor kinderen met autisme. Hoque en collega’s (2009) en Rahman en collega’s (2010) hebben beiden een behandeling ontwikkeld die gericht is op het stimuleren van de spraakontwikkeling bij kinderen met autisme. Voorlopige resultaten illustreren dat de behandelingen motiverend en effectief zijn voor patiënten. De studie van Choi en collega’s (2010) bespreekt een interactief systeem om therapie te ondersteunen op het gebied van sociale vaardigheden en visueel motorische coördinatie. Ten slotte bespreekt de studie van Battocchi en collega’s (2009) het design en evaluatie van de Collaborative Puzzle Game (CPG). De resultaten suggereren dat deze toepassing een positieve impact heeft op de samenwerking vaardigheden van kinderen met autisme.

Fanning en Brighton (2007) hebben in een eerste gebruikersonderzoek bekeken hoe de game The Sims een aanvulling kan zijn op bestaande speltherapie. De game blijkt een veilige omgeving aan te bieden om te experimenteren met gedrag en sociale situaties. Echter, het is niet eenduidig te benoemen welke game-kenmerken het meest bruikbaar zijn en hoe deze gecontextualiseerd moeten worden binnen de therapiesetting. Wellicht dat verder onderzoek kan uitwijzen of dit ook bruikbaar is voor het trainen van sociale vaardigheden bij kinderen en jongeren met autisme. Specifieke aandacht dient hierbij gegeven te worden aan het transfer van het geleerde binnen de game naar de toepassing in het dagelijks leven.

Een ander initiatief voor jongeren met autisme is Hows (Autismeplein, 2012). Dit is een serious game die is ontwikkeld om jongeren met autisme te ondersteunen bij het uitvoeren van dagelijkse taken. Hierbij valt te denken aan kleding wassen, afwassen, boodschappen doen et cetera. Vooralsnog richt deze game zich op jongeren die zelfstandig wonen. Tot op heden ontbreekt het binnen dit project aan wetenschappelijke navolging.

Ook de eerder genoemde executieve functietraining Braingame Brian wordt voor kinderen tussen de acht en twaalf jaar met autisme ingezet. De wetenschappelijke validatie van het programma voor deze doelgroep wordt tot medio 2013 wetenschappelijk onderzocht (Training voor Autisme, 2013).

Eetstoornissen

Middels een RCT (n=133) evalueerden Baranowski en collega’s (2011) twee games (Escape from Diab en Nanoswarm: Invasion from Inner Space) die erop gericht zijn om een gezonder eetpatroon en lichamelijke activiteit bij kinderen te stimuleren. Kinderen in de controleconditie kregen voeding en beweeg advies aangeboden via populaire games die online te vinden waren. Uit de resultaten bleek dat het spelen van de games resulteerden in een verhoogde consumptie van groente en fruit. Echter, er werd geen vooruitgang gerapporteerd in de hoeveelheid water die kinderen dronken en de behandeling had een matig effect op de hoeveelheid beweging van kinderen.

Ook de hierboven al genoemde executieve functietraining Braingame Brian wordt voor kinderen tussen de acht en twaalf jaar met eetstoornissen en obesitas ingezet (Verbeken et al., 2010).

mHealth

Mobile Health is een term die gebruikt wordt om het uitvoeren van gezondheidszorg met ondersteuning van mobiele apparaten aan te duiden. Op het gebied van angst- en stemmingsstoornissen en eetstoornissen wordt de methodiek Ecological Momentory Assessment (EMA) ingezet om via een mobiel apparaat data te verzamelen. Ebner-Priemer en Trull (2009) noemen in een review de belangrijkste voordelen van deze methode. Ten eerste verhogen real-time metingen de nauwkeurigheid en minimaliseren zij de invloed van recall bias. Ten tweede kunnen herhaalde metingen dynamische processen onthullen. Ten derde kunnen metingen zowel psychologische, fysiologische als data omtrent gedrag omvatten. Ten vierde kunnen relaties tussen gedrag en context onderzocht worden. Ten vijfde kunnen kinderen en jongeren middels deze methode voorzien worden van interactieve feedback. Ten slotte vergroten metingen in levensechte situaties de generaliseerbaarheid van de resultaten.

ADHD

Effectiviteitsstudies naar mHealth voor de diagnostiek of behandeling van ADHD werden door ons niet gevonden.

Angst en depressie

Tan en collega’s (2012) hebben EMA in hun gecontroleerde en gerandomiseerde studie (n=130) gebruikt om emotionele ervaringen van angstige en niet angstige jongeren met elkaar te vergelijken. Jongeren werden in totaal veertien keer gebeld door een getraind interviewer die een aantal vragen met hen langsliep. Uit de resultaten bleek dat angstige jongeren geen hogere niveaus van negatieve emoties rapporteren naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen. Wel rapporteerden zij een meer intense piek van negatieve emoties. Daarnaast bleken zij ook geen verschillen te rapporteren met betrekking tot de mate waarin zij adaptieve regulatie technieken gebruikten, maar bleek dat zij eerder fysiologisch reageerden op bepaalde gebeurtenissen. Uit de studie kan geconcludeerd worden dat EMA een bruikbare methode om op verschillende momenten real-time data te verzamelen bij angstige en niet angstige jongeren. Hierdoor krijgt men meer inzicht in gedragspatronen binnen de naturalistische omgeving.

Kauer en collega’s (2012) hebben een gerandomiseerde en gecontroleerde studie (n=118) uitgevoerd naar zelfmonitoring van gedrag door jongeren met vroege symptomen van depressie. De onderzoekers gaan ervan uit dat zelfmonitoring van stemming, stress- en copingstrategieën kan bijdragen aan een verhoogd emotioneel bewustzijn waardoor depressieve symptomen verminderen. Jongeren moesten op meerdere momenten een korte vragenlijst op hun mobiele telefoon invullen. De vragen betroffen diverse functiegebieden zoals huidige activiteiten, locatie, metgezellen, stemming, recente stressvolle activiteiten, alcohol- en cannabisgebruik, kwaliteit en kwantiteit van slaap, beweging en dieet. Dit vergde ongeveer één tot drie minuten. De data werden automatisch opgeslagen via een beveiligde website. Jongeren in de controle conditie moesten alleen hun dagelijkse bezigheden monitoren. Uit de analyses bleek dat de behandeling een positief effect had op depressieve klachten via een verhoogd emotioneel bewustzijn.

Reid en collega’s (2009) evalueerden een mobiel programma om de dagelijkse ervaringen van stemming, stress en coping bij jongeren te meten. Jongeren moesten viermaal per dag een korte vragenlijsten op hun mobiel invullen. In totaal werd 76 procent van de vragen ingevuld en 94 procent van de jongeren rapporteerden dat het programma hun stemming, stress en coping adequaat had gemeten. Het monitoren van het eigen gedrag bleek zelfs positief bij te dragen aan het bewustzijn van de problemen bij adolescenten en de manier waarop zij hiermee omgingen.

Autismespectrumstoornissen

Kagohara en collega’s (2012) publiceerden recent een systematische review naar het gebruik van iPods en iPads om individuen met ontwikkelingsstoornissen bepaalde vaardigheden aan te leren. De auteurs keken naar vijf gebieden van functioneren waaronder (a) academisch, (b) communicatie, (c) arbeid, (d) vrije tijd en (e) transitie naar een andere school setting. De vijftien geïncludeerde studies rapporteerden uitkomsten van 47 participanten in de leeftijd van vier tot 27 jaar met een diagnose ASS of een verstandelijke beperking. De meeste toepassingen op de iPod of iPad waren erop gericht om (a) instructie te geven of (b) de persoon een iPod of iPad te leren gebruiken of om te leren toegang te verkrijgen tot geprefereerde stimuli. Deze positieve resultaten doen de auteurs concluderen dat mobiele apparaten bruikbare hulpmiddelen kunnen zijn voor individuen met ontwikkelingsstoornissen.

De Leo, Gonzales, Battagiri, en Leroy (2011) ontwikkelden een mobiele applicatie (PixTalk) en een bijbehorende website met als doel om de communicatie vaardigheden van kinderen met autisme te verbeteren. Kinderen kunnen afbeeldingen op hun telefoon selecteren en zo hun intenties, behoeften en emoties uitdrukken. PixTalk werd in drie case studies vergelijken met het gebruik van papieren pictogrammen. Uit de resultaten van de drie case studies bleek dat kinderen hun intenties, behoeften en emoties kunnen zoeken en selecteren middels PixTalk.

De Universiteit van Edinburgh heeft de applicatie FindMe Autism ontwikkeld voor kinderen met autisme om hen op aansprekende wijze basisvaardigheden op het gebied van sociaal gedrag en communicatie aan te leren (Click-East, 2013). In de eerste fase van het project werd de toepassing ontwikkeld, in samenwerking met ouders, leerkrachten, volwassenen met autisme en therapeuten. De tweede fase richt zich op het testen van de effectiviteit van de toepassing. De eerste pilotdata tonen aan dat de applicatie gebruiksvriendelijk en motiverend is. Zij gebruikten het programma over een periode van tien weken in totaal achttien uur, wat neerkomt op een kwartier per dag. De families rapporteerden positieve gedragsveranderingen op het gebied van aanduiden en vocabulaire. In een gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek met zestig families zal bekeken worden of de applicatie bijdraagt aan het algeheel functioneren op sociaal gebied en gerelateerde vaardigheden. De resultaten daarvan worden verwacht in juni 2013.

Mintz, Branch, March en Lerman (2012) beschrijven het HANDS project, waarin een smartphone applicatie is ontwikkeld om jongeren (elf tot en met zestien jaar) met autisme te ondersteunen. De software biedt leerkrachten een toolkit waarmee voor iedere jongere specifieke functies op de smartphone geïnstalleerd kunnen worden. Om sociale vaardigheden te bevorderen, ontvangen jongeren de aanmoediging om het perspectief van de ander te onderzoeken, en om jongeren te kalmeren in situaties die waarschijnlijk leiden tot emotionele uitbarstingen. Andere interventies zijn gericht op het leren omgaan met geld, tijdmanagement, gebruikmaken van het openbaar vervoer en het monitoren van medicatiegebruik. Hierbij kan een foto of de stem van de leerkracht worden toegevoegd. Wanneer een jongere adequaat gereageerd heeft op de interventie, ontvangt die een beloning die aansluit bij zijn of haar interesse. Hoewel er bij het eerste prototype van de applicatie nog een aantal technische problemen waren, geloofden leerkrachten en jongeren wel in de potentie ervan. Factoren zoals samenwerking tussen thuis en school, gehechtheid aan het gebruik van de applicatie en geloofwaardigheid in het systeem door leerkrachten bleken van invloed op de werkzaamheid van de applicatie. Daarnaast was het belangrijk dat leerkrachten de applicatie op het juiste moment in de juiste context inzetten.

Eetstoornissen

Dunton, Liao, Intille, Spruijt-Metz en Pentz (2011) gebruikten mobiele telefonie om de lichamelijke activiteit en het zitgedrag van 121 kinderen in kaart te brengen. Er werden drie tot zeven vragen per dag via hun mobiele telefoon gesteld. Tevens droegen de kinderen een actimeter waarmee hun bewegingen in kaart werden gebracht. Rofey en collega’s (2010) brachten naast lichamelijke activiteit ook voeding, stemming en slaapgedrag in kaart bij twintig adolescente vrouwen. Echter, zij deden dit niet door middel van het versturen van elektronische vragenlijsten naar hun mobiel maar door veertien korte telefonische contactmomenten. Ook deze adolescenten droegen een actimeter. Uit beide studies bleek dat het gebruik van mobiele telefonie een acceptabele en valide manier is om objectieve data te meten bij kinderen en jongeren die een verhoogd risico lopen op overgewicht.

Schiel, Kaps en Bieber (2012) onderzochten de impact van elektronische technologie in de behandeling van kinderen en jongeren met overgewicht en obesitas (n=124). Lichamelijke activiteit en eetgewoonten werden gemeten via een mobiele bewegingssensor die geïntegreerd was in een mobiele telefoon. De energie-inname werd geregistreerd aan de hand van foto’s die kinderen en jongeren van hun eten maakten en de behandelaar doorstuurden. Data werden per patiënt verzameld gedurende een periode van maximaal vier dagen. Uit de studie bleek dat de acceptatie van de sensoren groot was. Kinderen en jongeren bleken meer lichamelijke activiteit en een gezonder eetpatroon te rapporteren dan dat daadwerkelijk het geval was. Persoonlijke doelen werden inzichtelijk gemaakt waardoor kinderen en jongeren meer gemotiveerd waren om te bewegen en gezonder te eten.

Hilbert, Rief, Tuschen-Caffier, De Zwaan en Czaja (2009) onderzochten een groep van 118 kinderen met en zonder eetbuien. Kinderen werden in hun natuurlijke omgeving via mobiele telefoons geïnterviewd over hun dagelijkse eetgedrag, stemming en cognities gedurende een periode van vier dagen. Deze methode gaf bruikbare informatie over de eetpatronen van kinderen en de psychologische factoren die bijdragen aan ongecontroleerd eetgedrag in de naturalistische omgeving. De EMA procedure bleek adequaat te kunnen discrimineren tussen kinderen met en zonder eetstoornis en bleek daarnaast gebruiksvriendelijk te zijn. Tevens was de therapietrouw hoog.

Discussie

Dit artikel geeft een overzicht van wetenschappelijk onderzoek naar e-healthtoepassingen die ontwikkeld zijn voor of binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie, aan de hand van een onderverdeling gebaseerd op toepassing - internettherapie, telepsychiatrie, serious games en mHealth – en klachtgebied - ADHD, autismespectrumstoornissen, angst- en stemmingsstoornissen en eetstoornissen. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat e-health ook voor de populatie in de kinder-en jeugdpsychiatrie van toegevoegde waarde kan zijn. Op basis van dit overzicht mag worden vastgesteld dat de onderbouwing van e-healthtoepassingen voor de jeugd-ggz in hoog tempo aan het toenemen is.

E-health wordt vaak alleen geassocieerd met online therapie. Dit overzicht laat echter zien dat ook andere toepassingen relevant kunnen zijn. Telepsychiatrie, serious games en mHealth: voor al deze alternatieven komt steeds meer evidentie beschikbaar. Telepsychiatrie lijkt een goed alternatief te bieden voor face-to-face consulten tussen behandelaar en patiënt, maar is tot op heden niet geïmplementeerd, waarschijnlijk vanwege technische beperkingen en vraagtekens die behandelaars stellen bij de mogelijkheden om een goede therapeutische band op te bouwen. Serious games blijken een veelbelovende fundamentele aanvulling op de huidige behandelopties. Gecomputeriseerde trainingen kunnen effectief zijn, en door het toevoegen van motiverende spelelementen wordt de impact van deze trainingen mogelijk vergroot. Met mHealth tenslotte zijn tot op heden voornamelijk resultaten geboekt op het gebied van monitoring en assessment. De kracht van mHealth, de mogelijkheden om te interveniëren op het juiste moment, de juiste plek en in de juiste situatie, lijkt op dit moment nog onvoldoende benut. Daar liggen kansen.

Er liggen nog wel uitdagingen voor wat betreft de bewijskracht van de studies uit dit overzicht. Zo wordt de werkzaamheid van toepassingen relatief vaak geïllustreerd met gevalsbeschrijvingen en pilotstudies en veel minder vaak met gerandomiseerde gecontroleerde studies. Ook over de resultaten op de lange termijn is nog maar weinig bekend. Op basis van het beschikbare onderzoek is daarom nog weinig te zeggen over de kosteneffectiviteit van e-healthtoepassingen in de jeugd-ggz.

Nog belangrijker lijkt het om op zoek te gaan naar werkzame ingrediënten van effectieve e-healthtoepassingen. Zodra men weet welk element bijdraagt aan het aanleren van bepaalde vaardigheden, kan dit voor diverse e-healthtoepassingen en bij verschillende doelgroepen ingezet worden. Tevens is het belangrijk om na te gaan hoe vaak een bepaalde technologie moet worden aangeboden om effecten te genereren en of geleerde vaardigheden ook generaliseren naar het dagelijks leven van kinderen en jongeren.

Omdat de techniek zich snel ontwikkelt, is het belangrijk dat technici, clinici en wetenschappers de handen ineen slaan om gezamenlijk een snel traject op te zetten waarbij een gedegen wetenschappelijke studie wordt geïntegreerd. Dit zal resulteren in innovatieve en evidence-based toepassingen voor de kinder- en jeugdpsychiatrie die aansluiten bij de doelgroep en het zorgaanbod efficiënter maken.